Er wordt doorgaans rekening gehouden met de mogelijkheid dat de windmolen zeker zo’n 1500 jaar geleden is uitgevonden in Perzië (Iran) en dat deze uitvinding niet slechts een speeltje is gebleven maar ook werkelijk op betekenisvolle schaal is toegepast voor de verwerking van granen (en misschien zelfs de opwerking van water voor irrigatie). Een deugdelijke onderbouwing van deze bewering compleet met verwijzingen naar literatuur gaat voor de huidige context te ver, maar misschien kunnen onderstaande observaties dienen als opmaat.
Natuurlijk waren de oude Iraanse molens nog heel verschillend van hun nazaten die zich vanaf omstreeks 1200 over Europa zouden verspreiden vanuit het zuiden van Vlaanderen of het Noordwesten van Frankrijk en misschien het Zuidoosten van Engeland. Het eerste en meest belangrijke verschil is het gebrek van een krachtoverbrenging van de ene as naar de ander. De Iraanse molens waren verticale molens, dat wil zeggen, de eerste as die werd aangedreven door de wind was een verticale as. De wind werd gevangen door de zeilen of schotten die aan deze verticale as waren bevestigd (radiaal in horizontale richting). De aldus gevangen wind dreef daarmee direct de maalsteen aan die vast zat aan het onderste deel van dezelfde spil. Voor een heldere presentatie van zo’n Perzische molen verwijs ik naar een pagina die gepubliceerd is op de website van de Ullesthorpe Windmill in het Engelse Leicestershire. Deze koningsspil was als het ware de absolute vorst, want van andere assen was geen sprake.
Zo zouden de verticale molens van Iran hebben gewerkt. Hun werking was misschien nog inefficiënt in vergelijking tot hun opvolgers (zie bijvoorbeeld hier), maar ze moeten hoe dan ook een enorme verhoging van de productiviteit hebben geïmpliceerd in vergelijking tot het werk met menselijke of dierlijke spierkracht dat ze vervingen. Er zijn natuurlijk meer beperkingen denkbaar die de verwantschap met latere windmolens lijken te verzwakken - zo weet niet wat de mogelijkheden waren om de snelheid van de steen te reguleren, en of die er überhaupt waren - maar voor de huidige context kunnen we tenminste het volgende vaststellen: zowel (a) de gedachte om de kracht van de wind te gebruiken om maalstenen aan te drijven voor de productie van meel als (b) de praktische toepassing van die gedachte is toe te schrijven aan de regio van het huidige Iran omstreeks, zeg, 500 of 600 na Chr.
Nu zullen er misschien lezers zijn die vermoeden dat de route van (toegepaste) kennis vanaf diep in het Midden-Oosten naar het kustgebied van Het Kanaal een onwaarschijnlijke was. Toch is dat niet zo in het politiek-culturele gebied van de Normandiërs van de elfde tot de dertiende eeuw. In de vorige bijdrage, van H. de Kroon, werd reeds terecht verwezen naar de kruisvaarders.
De expansie van de Normandische elite in de richting van Het Heilige Land heeft geleid tot talloze duurzame vestigingen en koninkrijken langs die route. Het Normandisch koninkrijk van Sicilië - het latere Schwabische Koninkrijk van Frederik II van Hohenstaufen - is daarvan een voornaam voorbeeld. Lange tijd was er frequent verkeer, in twee richtingen, tussen Noordwest Europa en het oostelijk bekken van de Middellandsche Zee. En dat verkeer was uiteraard niet uitsluitend Normandisch - Genuanen, Venetianen, Duitsers, Zuid-Fransen deden driftig mee. De praktische technologie van de windgedreven maalmachine (de windmolen dus) kan ongeveer tegelijktijd natuurlijk ook andere verspreidingsroutes hebben gevolgd. De culturele uitwisseling tussen Europese Christenen en Mediterrane Moslims, in Zuid-Italië, Sicilië en Zuid-Spanje vooral, is gedurende de grofweg elfde en dertiende eeuw veel groter geweest dan de meeste mensen nu denken.
Het zal niet moeilijk zijn geweest voor de gedachte van windgedreven maalstenen om post te vatten in deze geromaniseerde wereld. Molens waren al eeuwenlang alomtegenwoordig zowel bezuiden als benoorden de Middellandse Zee. Het gebruik van maalstenen was een beproefde techniek in de Romeinse wereld en men trof ze aan in talloze rosmolens en in watermolens (rivierwatermolens, getijdemolens en wellicht ook scheepsmolens). Wat was dan de eigenlijke vernieuwing die heeft plaatsgevonden met de Noord-Franse of Zuid-Vlaamse windmolen? Dat was uiteindelijk de toepassing van een overbrenging van de werkende kracht van meerdere assen die in een hoek ten opzichte van elkaar staan. De verticale windmolen kon een horizontale windmolen worden - snel en slordig gezegd - dankzij de overbrengingen bij de gratie waarvan de machine ook meteen uiterst flexibel werd of zullen we zeggen “convertibel” werd. Ik denk dat we de historische wortels van deze omslag moeten zoeken in de ontwikkeling van houten machinerie in het algemeen - het verhaal is niet strikt molinologisch. Wellicht is het spreekwoordelijke “wiel” van de windmolen, zoals zo vaak is gebeurd in de geschiedenis, op meerdere plaatsen uitgevonden, al dan niet tegelijkertijd, door onafhankelijke gedachtensprongen van vernuftige lieden.
De archeologie en geschiedenis van de Iraanse molen is natuurlijk een wespennest vanwege allerlei politieke problemen en de cultureel-historische verschillen. Uiteraard zijn Iraniërs trots op hun molenerfgoed. In het huidige Iran zouden er nog (resten van) zeker 2000 exemplaren van de traditionele verticale molens te vinden zijn. Bovendien zou de archeologie van deze molens volgens Iraanse deskundigen zelfs teruggaan tot 2800 jaar geleden en niet “slechts” 1500 jaar. Volgens een artikel van de Iran Daily uit 2005 werd er althans indertijd gewerkt aan de kandidatuur van het Iraanse molenerfgoed voor formele erkenning en bescherming met een predicaat van UNESCO. Daar weerklinkt de suggestie dat het niet helemaal billijk zou zijn dat Holland algemeen wordt gezien als molenland bij uitstek terwijl de Hollanders de kunst zouden hebben afgekeken van Iran; de Hollandse molengeschiedenis, welke duur meteen gereduceerd wordt tot 350 jaar, zou dus derivaat zijn van de Iraanse molengeschiedenis die wel 2800 jaar oud zou zijn. De een is natuurlijk trots op Iran en de ander is trots op Nederland.
Amsterdam, Mei 2008